-
Al in de dertiende
eeuw werd in Lyon uit China geïmporteerde zijde verwerkt.
-
De eerste lokale
productie van ruwe zijde ontwikkelde zich op kleine schaal in de
veertiende eeuw.
- Met name
na 1820 nam de productie zeer sterk toe.
- In 1839
werd 1216 kg eitjes geproduceerd, hetgeen 1.168.034 kg cocons
opleverde.
- In 1850
bedroeg de productie van cocons 1,5 mln. kg.
- Vanwege
de aantrekkelijke opbrengsten gingen steeds meer boeren
moerbeibomen planten, kochten hiervoor grond en staken zich
veelal in grote schulden. De bladeren van deze bomen werden
geplukt (ritsen) en in schuren vormden de bladeren de bedden
waarop de zijdevlinders de eitjes legden en de rupsen zich
voedden. Na 10 maanden kwamen de cocons.
- In 1827
waren er in de Ardèche 211 kleine ruwe zijde fabrieken die
cocons produceerden.
- In 1860
waren er 56 spinnerijen.
-
-
De Ziekten
slaan toe:
- De eerste
zieke rupsen werden gevonden in 1849.
- Tussen
1850 en 1863 daalde daardoor het inkomen door verkoop van ruwe
zijde van zestien miljoen franc tot vier miljoen franc. De
ziekte ruïneerde talloze zijdeproducenten, van wie velen zich
diep in schulden hadden gestoken. Monocultuur had een ramp
veroorzaakt.
- Tachtig
boeren verenigden zich en schreven aan de centrale autoriteiten:
- ‘’Wij
hebben ons hoofd gebogen in ootmoed tegenover de talloze rampen
die ons hier de laatste jaren hebben getroffen, omdat wij ze
beschouwen als een rechtvaardige straf van God. Wij hadden
gehoopt dat er een eind aan zou komen en nu wachten wij in
vertrouwen het eind van deze rampen af’’.
- De oogst
van 1856 was rampzalig. Een lange petitie werd naar de Senaat
gestuurd en ondertekend door 3500 burgemeesters, wethouders en
grondbezitters in de Ardèche, de Gard en de Lozère, om te
verzoeken om belastingverlaging.
- Sommige
boeren rooiden de moerbeibomen en plantten wijnstokken.
- Louis
Pasteur werd gezonden om onderzoek te doen. Hij verbleef in de
Ardèche van 1865 tot 1869.
- Hij
ontdekte dat de rupsen al besmet waren als zij uit het ei
kwamen, omdat de vlinder al ziek was.
- Hij
leerde de boeren hoe zieke eitjes ontdekt konden worden.
- In 1868
kwam de ommezwaai, de ziekte was verslagen. Toch kwam de
welvaart die eens door de ‘’gouden boom’’ was veroorzaakt niet
terug. Concurrentie van kunstzijde, ruwe zijde uit Italië en
Azië (aanleg Suezkanaal) en verandering van mode eisten hun tol.
- Het
aantal families in de Ardèche dat ruwe zijde produceerde werd
meer dan gehalveerd.
- De
hoeveelheid eitjes die in zijderupskwekerijen in incubatie werd
gelegd daalde met vijf zesde.
- De
grondprijs bleef zakken en daarmede de waarde van het onderpand
voor opgenomen leningen; vrijwel alle kleine eigenaren werden
bedreigd met onteigening, en slechts hun diepe ellende weerhield
sommige schuldeisers ervan de zaak op de spits te drijven, in de
wetenschap dat zelfs de verkoop van de onderpanden niet de
gehele schuld zou dekken.
- Toch
bleven de verwerking en het spinnen van ruwe zijde belangrijk
voor de lokale economie.
- Vrijwel
de helft van de zijdeverwerkende fabrieken in Frankrijk stond
nog steeds in de Ardèche.
- Meisjes
(van de leeftijd van twaalf) en jonge vrouwen liepen uit hun
dorpen naar de fabriekjes, waar zij in de week een schamel
onderkomen vonden -vochtige werkruimtes in de bedding van
riviertjes, nauwelijks sanitaire voorzieningen (het was mannen
niet toegestaan naar vrouwen te kijken die in pauzes hun rokken
spreidden op het veld om gehurkt te plassen- en niet veel meer
verdienden dan een franc per dag. Zij spaarden zoveel zij konden
voor hun bescheiden bruidsschat.
-
- Zelfs bij
de betrekkelijk schrale oogst van 1914, kort voor het uitbreken
van de Grote Oorlog, produceerde de Ardèche nog bijna 1,5
miljoen cocons, waarvoor 5,5 miljoen francs werd betaald, gelijk
aan al het graan dat er werd geoogst.
- Voor
velen stond de zijderups voor liefde voor het verleden, als om
te bewijzen dat het toen beter was: nog altijd heeft men het met
een glimlach over de rupsen. Men vertelt er anekdotes bij en
hebben het over het fortuin van die dagen. In 1943 haalden de
cocons de prijs van mest niet eens.
-
- De
tweede slag.
- Zelfs in
de hoogtijdagen van de ruwe zijdeproductie bleef de wijnbouw
belangrijk.
- Tussen
het einde van de achttiende eeuw en 1864 werd het aantal
hectaren met wijnstokken vervijfvoudigd. Het was een tweede hoop
van de kleine boertjes.
- Maar,
wederom sloeg het noodlot toe.
- Twee jaar
na het uitbreken van de ziekte in de zijdeteelt trof een ziekte
de wijngaarden.
- Druiven
rotten weg, waardoor de helft van de productie verloren ging.
- De odium
(meeldauw) verspreidde zich snel.
- De
opbrengst die in een normaal jaar 30 hectoliter per hectare had
bedragen, zakte tot 5 hectoliter van lage kwaliteit.
- Toch leek
de echte meeldauw, hoe rampzalig ook, nog goedaardig vergeleken
met wat er daarna kwam. De druifluis begon de wijngaarden te
treffen. Wijnstokken geïmporteerd uit de Verenigde Staten bleken
reistent tegen de druifluis.
- In 1891
was het grootste deel van de zieke wijngaarden herbeplant met
Amerikaanse onderstammen, waarop de inheemse soorten geënt
waren. Maar de wijn was van lage kwaliteit.
-
- De
derde slag.
- Een derde
slag volgde. De inktziekte, een zwammetje dat een blauwzwarte,
inktachtige kleur van stam, wortels en grond veroorzaakt en
langzaam maar zeker de kastanjeboom doodt, verscheen in 1875.
- De
‘’broodboom’’ voegde zich bij de gulden boom in het woud der
rampen.
- In 1960
was twee derde van de bomen verdwenen.
-
- Deze
rampen hebben grote gevolgen gehad voor de bevolking van de
Ardèche.
- De
bevolking piekte rond 1860: 388.000 inwoners. Tussen 1861 en
1960 verloor de Ardèche 140.000 inwoners, ongeveer 37 procent
van het totaal.
- De eerste
Wereld Oorlog gaf de genadeklap aan de zijdeteelt.
- Verlaten
terrassen op steile hellingen zijn vandaag de dag nog de stille
getuigen van le grand départ.
- Vele oude
zijdefabrieken worden nu gebruikt als vakantieverblijf, waarvan
Domaine de Clarat stille getuige is.
- *) Bron:
De stenen van Balazuc, de geschiedenis van een Frans dorp
|